Vroeger reed ik notabene zelf op een brommer. Het mooiste geluid ter wereld. Een Kreidler of een Puch die door de straat trok, daar kreeg ik kippenvel van. Tegenwoordig hoor ik zo’n opgevoerde scooter aankomen en denk ik maar één ding: houd toch op met die herrie!
Wanneer is dat gebeurd?
Het blijft niet bij brommers. Mensen die op het fietspad geen hand uitsteken. Winkelwagens die dwars in een gangpad worden geparkeerd. De buurman die zijn heg op zondag om acht uur ’s ochtends besluit te snoeien. Mensen die twee in plaats van een parkeerplaats pakken omdat ze bang zijn dat hun autootje wordt beschadigd. Schreeuwende kinderen. Ouderen die met hun auto overal voorrang nemen omdat ze blijkbaar haast hebben om… nou ja, waarnaartoe eigenlijk? En dan de grootste schok.
Ik hoor mezelf mopperen. Precies zoals die oude mannen waar ik vroeger zo hard om moest lachen.
Misschien is pensioen wel gevaarlijker dan we denken. Je krijgt ineens tijd. Veel tijd. En wie tijd heeft, krijgt ruimte om zich te ergeren. Vroeger had ik daar helemaal geen gelegenheid voor. Ik werkte, had deadlines, kinderen, rekeningen en een leven. Nu heb ik tijd om me druk te maken over een fatbike die iets te hard voorbij rijdt.
Het vervelende is: ergernis is verslavend. Je hersenen gaan er vanzelf naar op zoek. Voor je het weet, zie je alleen nog asociaal gedrag. De wereld is niet veranderd; jouw radar wel.
Dus ik probeer iets radicaal nieuws.
Ik laat mensen voorgaan. Ik haal mijn schouders op als iemand geen richting aangeeft. En als er weer een brommer voorbij knalt, denk ik aan mezelf, vijftig jaar geleden. Waarschijnlijk was ik minstens zo irritant. Laat iedereen maar lawaai maken, afval dumpen, voordringen bij de kassa, bommen gooien op Iran, FIFA WK verkopen.