Ik ben zo’n boomer die niet beschikt over miljoenen, zoals altijd zo makkelijk wordt beweerd door heel Nederland. Ik ben niet superrijk, heb geen villa op Ibiza, geen aandelenportefeuille waar dagelijks een tonnetje doorheen rolt. Gewoon een gemiddeld huis, een auto uit 2012, een klein pensioen en een boodschappenkar die het hoognodige herbergt. Dus geen kaviaar, champagne, truffelmayonaise of een moot zalm van een kilo.
Ik heb een eenvoudig voorstel voor Prinsjesdag. Het kost geen ingewikkelde ICT-operatie, geen toeslagenaffaire en waarschijnlijk ook geen parlementaire enquête.
Geef mensen die gewoon moeten rondkomen 30 euro per week voor hun boodschappen.
Niet als subsidie. Niet als „koopkrachtmaatregel”. Gewoon: dertig euro. Omdat de supermarkt tegenwoordig kennelijk is veranderd in een soort financiële tombola. Je loopt de supermarkt binnen voor brood, melk, kaas, koffie en wat fruit. Je komt bij de kassa en denkt: heb ik per ongeluk ook een buitenboordmotor gekocht? Ondertussen vertelt Den Haag ons dat de koopkracht op peil blijft. Dat is prachtig.
Mijn koopkracht heeft alleen kennelijk een andere definitie van „op peil” dan ik.
En dan die benzine, die klimt langzaam op naar de 3 euro een litertje. Het kwartje van Wim Kok is inmiddels zo oud dat je het eigenlijk onder cultureel erfgoed zou moeten laten vallen. Prima, hou dat kwartje lekker. Maar dan wil ik er inmiddels wel rente over.
Prinsjesdag is hét moment om eens iets geks te doen.
Geen belastingkorting waar alleen iemand met een spreadsheet iets van begrijpt. Geen regeling van 46 pagina’s. Geen minister die zegt dat „we de vinger aan de pols houden”.
Geef ons die dertig euro boodschappen per week.
En haal dat kwartje bij de pomp terug.
Dan kunnen wij ook weer eens met een gerust hart naar de kassa, zonder eerst onze hypotheekadviseur te bellen.